Misschien niet de meest gelezen paragraaf in de Staat van het onderwijs, de Financiële kwaliteit van het onderwijs. Maar toch wel een belangrijke voor funderend onderwijs.
Te lezen valt dat de liquiditeit en de solvabiliteit van het onderwijsveld boven signaleringswaarde ligt en redelijk stabiel is. Kijk je naar de grafieken dan zie je een neerwaartse tendens die in de Corona-periode onderbroken is met de NPO-middelen. De Samenwerkingsverbanden Passend onderwijs lopen daarin voorop. 10% zat onder de signaleringswaarde net als 5% van de schoolbesturen. De rentabiliteit van de samenwerkingsverbanden daalde onder de signaleringswaarde, net als bij ca. 25% van de schoolbesturen. Zij zetten hun reserves in. Die in de Staat van het onderwijs bovenmatig worden genoemd omdat reserves niet kunnen worden onderbouwd.



Maar hoe bovenmatig zijn die reserves eigenlijk?
In het onderwijs geldt dat ca. 80% van de middelen wordt ingezet voor personeel (in het bedrijfsleven 30-60% van de omzet). Dat is gestegen naar 82%. Het personeelsbestand groeide net als de salarissen. De sector kampt met uitstroom van 9%, een ziekteverzuim van 6,2% en een personeelstekort van 9,7%.
De resterende 18% is bedoeld voor materiële instandhouding. De aanschaffing van leerpakketten, meubilair, onderhoud van gebouw- en schoolpleinen, energie- en waterverbruik, schoonmaak, administratie en verwarming. Onderwijshuisvesting is in de meeste gevallen zwaar verouderd (gemiddelde leeftijd 69 jaar), voldoet vaak niet meer aan de functionele en technische eisen van deze tijd. Met als gevolg dat 15% meer wordt uitgegeven aan de instandhouding van gebouwen. Ook kampen scholen met een hogere energierekening, tot wel 3,2% of meer. De prijzen van schoonmaak zijn de laatste drie jaar gestegen met ruim 8%. Dan de aanschaf van leermiddelen. Het aanbod aanbieders, uitgevers en distributeurs zijn beperkt. Tot zover de marktwerking.
Afhankelijk van het voedingsgebied hebben onderwijsorganisaties te maken met groei of krimp. De prognoses kennen een onzekerheidsfactor ten gevolge van woningbouw en nieuwkomers. Ook deze onzekerheidsfactor moet financieel worden opgevangen mocht het zich voordoen.
Funderend onderwijs vraagt ook om Kwaliteitszorg. Maar liefst 91% van de leerkrachten maakt zich zorgen over de kwaliteit van het onderwijs. In het bedrijfsleven liggen de kosten hiervan tussen de 5 en 17% van de omzet.
Tot slot het feit dat de sector voor een deel incidenteel wordt gefinancierd 9% in het po, 15% in het vo en 7% in het (v)so. Wat de nodige bezetting, administratieve inzet en verantwoording vergt. En wat ook nog een onderschatting is want de NPO-middelen zijn niet in deze percentages verdisconteerd. Op incidentele middelen kan je niet structureel begroten.
Toch maar fijn als je terug kan vallen op een reserve, als goed financieel fundament, voor de veranderde belasting op het onderwijs.
Geef een reactie